Rasstandaard

Classificatie FCI

FCI-Standaard Nr: 285/24.05.2002/GB
Vertaling Engels-Nederlands: A.H. van der Snee
Herkomst: Spanje.
Datum van de publicatie van de originele geldende standaard: 26.05.1982.

Groep 10, Windhonden.
Sectie 3, Kortharige Windhonden.
Zonder werkproef.

Kort historisch overzicht
De Spaanse windhond was in de oudheid al bekend bij de Romeinen, hoewel we kunnen veronderstellen dat zijn komst op het Pyrenese schiereiland van lang vóór die periode dateert. Als afstammeling van oude Aziatische windhonden heeft hij zich aangepast aan onze verschillende gebieden van steppen en vlaktes.

Hij werd in groten getale geëxporteerd naar andere landen, zoals Ierland en Engeland in de 16e, 17e en 18e eeuw. Onze Spaanse windhond is een van de voorouders van de Engelse Greyhound die met de Spaanse Windhond (Galgo) overeenkomsten vertoont die zuiver bij het ras horen dat heeft gediend als basis bij de selectie ervan en vervolgens de acclimatisering. Onder de talloze citaten van klassieke schrijvers kiezen we die van de aartspriester van Hita (stadje in Spanje, vert.) die luidt: ‘Een haas die vlucht wordt door een jagende windhond snel gegrepen…’ waarmee hij het bewijs geeft van de voornaamste en oudste voorouderlijke functie van het ras.

Algemene verschijning
Windhond van goed formaat, eumetrisch-subconvex*, sub-lange belijning en langschedelig. Compacte botstructuur, hoofd lang en smal (dolichocefaal), ruime borstkas, buik sterk opgetrokken, zeer lange staart. Achterhand steil en gespierd. Haar fijn en kort of halflang en hard.

Belangrijke verhoudingen
Sub-longuish lijnstructuur; iets langer dan hoog. Verhoudingen en functionele harmonie moeten gezocht worden in stand zowel als in beweging.

Gedrag/karakter
Rustig en soms gereserveerd, maar bij het jagen laat de hond zien een energieke en levendige jager te zijn.

Gebruik
Een hond die in snelle achtervolging op het gezicht jaagt op het haas in open veld. Vroeger is hij ook gebruikt en hij kan ook jagen op andere dieren als konijnen, vossen en ook beren; maar het oorspronkelijk gebruik van het ras was en is de jacht op het haas in open veld.

Hoofd

In verhouding met de rest van het lichaam lang, slank en droog. De verhouding schedel-snuit is 5 : 6; lengte van de schedel 5, lengte van de snuit 6.
De vlakken van de schedel en snuit samen zijn divergerend. Van boven gezien moeten schedel en snuit samen zeer lang en vlak zijn (zonder welving); met een lange en smalle snuit.

Schedelgedeelte
Schedel: Smal in de breedte en subconvex (gebogen) profiel, langer dan breed. De schedel heeft een groef in het midden waarvan tweederde deel duidelijk te zien is; de frontale sinus (welving) en de top van de occiput zijn weinig geaccentueerd.
Stop: Is licht hellend, slechts zeer licht geaccentueerd.

Gezichtsgedeelte
Neus: Klein, vochtig met zwarte slijmhuid.
Snuit: Lang, met sub-convex profiel, met een smalle, licht gebogen neusrug naar de neus.
Lippen: Zeer dun. De bovenlip bedekt de onderlip. De onderlip toont geen duidelijke mondhoek. Fijn, strak met donkere slijmvliezen.
Kaken/Gebit: Elementen sterk, wit en gaaf, Schaargebit. Hoektanden sterk ontwikkeld. Alle premolaren aanwezig.
Ogen: Klein, schuin, amandelvormig; bij voorkeur donker of hazelnootkleurig. Rustige expressie, zacht en gereserveerd.
Oogleden: Dunne huid en donkere slijmvliezen. Sluiten goed aan op het oog.
Oren: Breed bij de aanzet, driehoekig, vlezig in het eerste 1/3 gedeelte en fijner en dunner naar de tip die afgerond is. Hoog aangezet. Als de hond attent is, staan ze voor een derde deel met gevouwen tips naar opzij. In rust zijn ze van het ‘rozentype’, dicht tegen de schedel. Als ze naar voren gelegd worden, reiken ze tot zeer dicht bij de mondhoek.
Gehemelte: Kleur als van de slijmvliezen, met zeer duidelijke ribbels.

Hals
Lang, ovaal in doorsnee, vlak, slank, sterk en soepel. Smal bij de schedel en wat verbredend naar de romp. De bovenlijn is licht gebogen (concaaf). De onderlijn is bijna recht, in het midden licht gebogen (convex).

Lichaam

Het voorkomen van het geheel: Rechthoekig, sterk en soepel, maakt een forse indruk, vlugheid en uithoudingsvermogen. Borstkas ruim ontwikkeld; buik goed opgetrokken.
* Het woord eurometrisch is voor zover ik weet een aanduiding dat het ras middelgroot is. Als iemand de hele zin waarin het staat duidelijker kan vertalen, zal ik dat gaarne vernemen (vertaler).
Belijning van rug-lenden: Met een lichte buiging (concaaf) van de rug en boog (convex) van de lenden. Zonder abrupte onderbrekingen en zonder slingeringen bij het gaan; geeft de indruk van grote veerkracht.
Schoft: Weinig geprononceerd.
Lenden: Lang, sterk; niet zeer breed en met een gebogen bovenbelijning; met een compacte en lange bespiering; geeft de indruk van veerkracht en sterkte. De hoogte in het midden van de lenden kan hoger zijn dan de schoft.
Kroep: Lang, krachtig en schuin aflopend. De helling maakt een hoek met de horizontale lijn van meer dan 45 graden.
Borstkas: Krachtig maar niet zeer breed; diep, zonder tot de elleboog te reiken en zeer lang in de lijn naar de zwevende ribben. De top van het borstbeen geprononceerd.
Ribben: Vlak, op ruime afstanden van elkaar. De ribben moeten duidelijk zichtbaar en geprononceerd zijn. De omtrek van de borst is iets groter dan de diepte.

Schofthoogte
Buik en flanken: Buik abrupt opgetrokken na het borstbeen: Whippetachtig. Flanken kort, slank en goed ontwikkeld.

Staart

Sterk aan het begin en laag aangezet, wordt tussen de benen gedragen. Dun uitlopend tot een zeer dun einde. Hij is soepel en zeer lang, reikt tot over de hak. In rust hangt hij in sikkelvorm met een duidelijke scherpe bocht aan het eind en hangt naar opzij. Tussen de benen gebracht met een haak raakt hij bijna de grond voor de achterbenen en vertoont hiermee een van de meest typische aspecten van het ras.

Ledematen

Voorhand
Beeld van het geheel: Perfect verticale ledematen, fijn, recht en parallel. Metacarpus (middenvoet) kort en droog. Hazenvoeten.
Schouders: Droog, kort en schuin. Het schouderblad moet duidelijk korter zijn dan de opperarm.
Opperarm: Lang, langer dan het schouderblad , zeer gespierd, ellebogen vrij, maar dicht bij het lichaam.
Onderbeen: Zeer lang, recht en parallel; goed gevormde botten met duidelijk zichtbare pezen. Polszooltjes sterk ontwikkeld.
Middenvoet: Iets schuin, fijn en kort.
Voorvoeten: Hazenvoeten. Tenen aaneengesloten en gebogen. Teenkootjes sterk en lang. Zooltjes stevig en goed ontwikkeld. Vliezen tussen de tenen matig ontwikkeld, nagels goed ontwikkeld.
Hoekingen: Hoek schouder-opperarm: 110 graden.
Hoek opperarm-spaakbeen: 130 graden.

Achterhand
Aanzien van het geheel: Krachtig, goed gevormde botstructuur, bespierd met lange en goed ontwikkelde spieren. Volkomen recht en verticaal met correcte hoekingen. Hakken goed gevormd, kort en verticaal; hazenvoeten met gebogen tenen. De achterhand geeft de indruk van kracht en behendigheid in het stuwen.
Dij: Zeer sterk, lang gespierd en harmonieus gevormd. De dij benadert zo veel mogelijk de verticale stand. Van achteren gezien tonen ze bij de eerste blik een zeer duidelijke bespiering. Breed, vlak en krachtig, de lengte is ¾ die van de onderdij.
Onderdij: Zeer lang met goed gevormde en fijne botten. Het bovenste deel gespierd; in het onderste deel minder, met duidelijk zichtbare aderen en pezen.
Spronggewricht: Goed gevormd met duidelijk zichtbare achillespees die goed ontwikkeld dient te zijn.
Achtermiddenvoet: Fijn, kort en verticaal.
Achtervoeten: Hazenvoeten, evenals de voorvoeten.
Hoek onderdij-middenvoet: groter dan 140 graden.

Gangwerk/beweging

Van nature is de galop het typische gangwerk. De stap moet uitgrijpend zijn, laag over de grond, verend en krachtig. Geen neiging tot scheef gaan of telgang.

Huid

Goed passend op alle delen van het lichaam, stevig en soepel, roze van kleur. De slijmvliezen moeten donker zijn.

Vacht
Beharing
Dicht, zeer fijn, kort , glad; over het hele lichaam tot tussen de tenen. Iets langer op de achterkant van de dijen. De rasvariëteit met halflang hard haar vertoont een grote hardheid en lengte van haar die gevarieerd kan zijn; ofschoon altijd gelijk verspreid over het hele lichaam, bestaat de neiging tot het vormen van baard en snor op de snuit, wenkbrauwen en kuif op het hoofd.

Kleur
Alle kleuren zijn toegestaan. De volgende kleuren worden beschouwd als de meest typische.
In volgorde van voorkeur:
Reekleurig en min of meer donkere strepen (gestroomd of brindle), goed gepigmenteerd.
Zwart, met zwarte, donkere en lichte vlekken.
Kleur van gebrande kastanje.
Kaneelkleur.
Geel.
Rood.
Wit. Met witte aftekeningen en bont.

Maat

Schofthoogte
Reuen van 62 tot 70 cm.
Teven van 60 tot 68 cm.
Een marge van 2 cm hoger is toegestaan bij dieren met de juiste verhoudingen.

Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet beschouwd worden als fout en de ernst waarmee de fout aangerekend wordt moet in de juiste verhouding zijn met de mate ervan.

Kleine fouten:
Hoofd wat breed en minder fijn besneden.
Recht profiel van de snuit. Spitse snuit.
Botten van de schedel geprononceerd.
Ontbreken van een premolaar.
Tanggebit.
Staart wat kort, komt niet ver over de hak.
Littekens van wonden en schrammen in het jachtseizoen.

Belangijke fouten:
Volumineus (te grof) hoofd.
Schedel veel te breed bij een puntige snuit.
Stop te sterk geprononceerd.
De vlakken van neusbeen en schedel zijn evenwijdig.
Te veel lip en wammen.
Matig boven-voorbijtend.
Missen van hoektanden, niet ten gevolge van ongelukken.
Ogen licht, rond of puilend,
Ectropion, entropion.
Korte, staande of kleine oren.
Korte en ronde nek.
Rug-lendenlijn als een zadelrug.
Hoogte bij de lenden minder dan de hoogte bij de schoft.
Korte kroep, rond of slechts weinig schuin.
Onvoldoende omtrek van de borstkas.
Tonvormige ribbenkas.
Korte flanken.
Bespiering sterk uitpuilend, rond en niet slank genoeg.
Ledematen niet recht en rechtstaand, gespreide tenen, koehakkig.
Zachte voetkussens.
Staart en oren geamputeerd.
Belijning met grove verschijning, zwaar en zonder soepelheid.
Onevenwichtig karakter.

Eliminerende fouten
Agressief of overdreven schuw.
Gebrek aan type.
Gespleten neus.
Duidelijke bovenvoorbeet of ondervoorbeet.
Bovenbelijning zeer breed, vlak en recht.
Borstkas dieper dan tot de elleboog.
Elk ander typisch kenmerk dat doet denken aan of wijst op een bastaard.
Albinisme.

Elke hond die duidelijk fysische of gedragsafwijkingen heeft moet gediskwalificeerd worden.

N.B. Manlijke dieren moeten twee duidelijk normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Originele bron

Contact | Disclaimer | A-Z | Login