Rasstandaard

Classificatie F.C.I.

FCI-Standaard Nr: 193 d.d. 22.11.2006 2
Oorsprong: Rusland.
Datum van publicatie van de originele geldende standaard: 25.10.06
Gebruiksdoel: Jagende windhond, ren en coursinghond

Groep 10 Windhonden
Sectie 1 Langharige of bevederde windhonden
Geen werkproef

Algemene verschijning
Hond met een aristocratisch voorkomen, groot formaat, slank en tegelijkertijd met een droge en robuuste constructie en een iets gestrekte bouw. Teven zijn over het algemeen langer dan reuen. Sterke botstructuur maar niet massief. De botten zijn tamelijk vlak. Spieren droog, goed ontwikkeld, vooral op de dijen maar ze laten geen reliëf zien. Harmonie in vorm en beweging is van het allergrootste belang.

Belangrijke verhoudingen
Bij reuen is de schofthoogte gelijk aan of iets hoger dan de hoogte van de bovenkant van het croupe tot de grond.
Bij teven zijn deze twee hoogtes gelijk.
De schofthoogte dient iets minder te zijn dan de lengte van het lichaam.
De diepte van de borst is ongeveer gelijk aan de helft van de schofthoogte.
De lengte van de neus, van de stop tot de neuspunt, is gelijk of iets meer dan de lengte van de schedel van de achterhoofdsknobbel (occiput) tot de stop.

Gedrag en karakter

In het dagelijks leven heeft de Barsoi een rustig en evenwichtig karakter.
Bij het zien van wild wordt hij plotseling opgewonden. Hij heeft een doordringende blik, scherp gezichtvermogen en is in staat om zeer ver te kunnen zien. Zijn reactie is onstuimig.

Hoofd

Bekeken vanaf de bovenkant alsook vanaf de zijkant, droog, lang, smal en aristocratisch. Van opzij vormen de lijnen van de schedel en de snuit een lange iets convexe lijn, waarbij de lijn van de schedelkam recht of iets schuin naar de goed ontwikkelde achterhoofdsknobbel loopt. Het hoofd is zo elegant en droog dat de hoofdaders door de huid zichtbaar zijn.

Schedelgedeelte
Schedel: Smal, van bovenaf gezien: langgerekt tot een ovale vorm; van opzij gezien nagenoeg vlak.
Stop: Heel weinig gemarkeerd.

Gezichtsgedeelte
Neus: Groot, beweeglijk, duidelijk vooruitstekend ten opzichte van de onderkaak.
Neusrug: Lang, goed gevuld over de gehele lengte, iets gebogen nabij de neus.
Voorsnuit: De lengte van de snuit van de stop tot de neuspunt is gelijk aan of iets langer dan de lengte van de schedel van de occiput tot de stop.
Lippen: Fijn, droog, goed sluitend. De randen van de oogleden, de lippen en de neuspunt zijn zwart ongeacht de vachtkleur.
Kaken en tanden: Sterke onderkaak, tanden wit, sterk, schaargebit of tanggebit.
Ogen: Groot, weinig prominent, expressief, donker hazelnoot of donkerbruin, amandelvormig, maar geen spleetogen, schuin geplaatst.
Oren: Klein, dun, beweeglijk, boven de ooglijn en naar achteren aangezet, liggen nagenoeg in de nek indien niet alert. De punten van de oren liggen dicht bij elkaar of omlaag langs en tegen de nek. Als de hond alert is worden de oren hoger gedragen naar opzij of vooruit, soms staan een of beide oren opgericht als de oren van een paard.
Hals: Lang, droog, van opzij vlak, gespierd, licht gebogen en nooit hoog gedragen.

Lichaam

Schoft: Niet geprononceerd.
Rug: Breed, gespierd, elastisch, vormt met lendenen en croupe een welving die bij reuen meer uitgesproken aanwezig is. Het hoogste punt van deze welving bevindt zich voor het midden van de lendenen of ter hoogte van de 1e of 2e lendenwervel.
Lendenen: Lang, geprononceerd, gespierd matig breed.
Croupe: Lang, breed, licht hellend, de breedte van de croupe gemeten tussen de twee heupbeenderen (iliac crests) mag niet minder dan 8 cm bedragen.
Borstkas: Doorsnede ovaal, niet smal, maar niet breder dan de croupe, diep, goed ontwikkeld in lengte, ruim, reikt tot bijna aan de ellebogen. Het gebied van de schouderbladen is vlakker. De borst neemt geleidelijk in breedte toe tot de valse ribben, die kort zijn, van opzij vormen ze een andere hellingshoek. De ribben zijn lang en enigszins prominent. De voorborst steekt iets uit ten opzichte van het boeg gewricht (schouder opperarm).
Buik: Goed opgetrokken, de onderbelijning loopt abrupt omhoog naar de buik.

Staart

In de vorm van een sikkel of sabel, laag aangezet, dun, lang. Tussen de achterbenen doorgehaald moet hij tot het heupbeen (illiac crest) reiken, voorzien van overvloedige bevedering. Als de hond op natuurlijke wijze staat hangt de staart omlaag. In actie, wordt hij hoger gedragen maar niet hoger dan het niveau van de rug.

Ledematen

Voorhand
Voorbenen: Droog, gespierd, van voren gezien perfect recht en parallel. De lengte van de voorbenen van de elleboog tot de grond is gelijk aan of iets meer dan de helft van de schofthoogte.
Schouders: De schouderbladen zijn lang en schuin.
Opperarm: Matig schuin, de lengte is nauwelijks meer dan de lengte van het schouderblad. De hoek tussen schouderblad en opperarm is goed zichtbaar.
Ellebogen: Parallel aan de middellijn van het lichaam.
Voorarm: Droog, lang, met ovale doorsnede, van voren gezien smal, van opzij gezien breed.
Voormiddenvoet: Iets schuin ten opzichte van de grond.

Achterhand
Van achteren gezien, recht, evenwijdig en iets breder dan de voorhand. Als de hond in zijn natuurlijke houding staat moet de verticale lijn vanaf het zitbeen voor het midden van het hakgewricht en de middenvoet lopen.
Bovendij: Goed gespierd, lang, schuin geplaatst.
Onderdij: Lang, gespierd schuin geplaatst, knie- en spronggewricht goed ontwikkeld, breed, droog, duidelijke hoekingen.
Achtermiddenvoet: Niet lang, nagenoeg vertikaal geplaatst.
Alle gewrichten zijn goed gehoekt.

Voeten
Droog, smal, verlengde ovale vorm (zg. hazenvoeten) tenen gebogen, aaneengesloten, nagels lang, sterk, raken de grond.

Gangwerk/beweging

Indien hij niet jaagt is de typische Barsoigang een uitgestrekte draf, moeiteloos, zeer soepel en verend; indien hij jaagt is de rengalop buitengewoon snel, met grote sprongen.

Huid

Soepel, elastisch.

Vacht
Haar: Zijdeachtig, zacht en soepel, golvend of grove krullen, maar nooit kleine strakke krullen. Op het hoofd, de oren en de ledematen, is het haar satijnachtig (zijdeachtig maar zwaarder ) kort , dicht aanliggend. Op het lichaam is het haar vrij lang, op en rond de schouderbladen en croupe vormt het haar kleinere krullen; op de ribben en dijen is het haar korter. Het haar dat de franje vormt, de broek en de bevedering van de staart is langer. De vacht op de nek/hals is dicht en overvloedig.
Kleur: Alle kleurencombinaties, maar nooit met blauw, bruin (chocolade) en elke afgeleide van deze kleuren.
Alle kleuren kunnen effen zijn of bont/gevlekt. De franje, broek en bevedering van de staart zijn aanzienlijk lichter dan de grondkleur. Voor de donkere kleuren is een zwart masker karakteristiek.

Maat

Gewenste schofthoogte: Reuen 75 – 85 cm. Teven 68-78 cm.
Bij reuen is de schofthoogte gelijk aan of iets hoger dan de hoogte van de top van de croupe tot de grond.
Bij teven is deze hoogte gelijk. Exemplaren die de maximale hoogte overschrijden zijn aanvaardbaar mits de typische morfologie bewaard wordt.

Fouten

Iedere afwijking van de hierboven genoemde punten dient als fout beschouwd te worden en de mate waarin die fout moet worden beoordeeld dient exact in verhouding te zijn met de mate waarin deze zich voordoet, en de gevolgen op de gezondheid en het welzijn van de hond vooral:
Tanden: Klein, abnormale slijtage. Afwezigheid van een PM2.
PM1s en M3s worden niet in aanmerking genomen.
Kleur: Vlekken van dezelfde kleur als de grondkleur.

Ernstige fouten
Algemene verschijning:
Gezet (dik stevig) voorkomen; kort lichaam.
Zwaar, rond bot.

Hoofd:
Zachte weefsels.
Stompe snuit.
Zeer duidelijke stop.
Zeer geprononceerde jukbeenderen.
Achterhoofdsknobbel (occiput) niet zichtbaar.

Tanden:
Ontbreken van een PM3, een PM4 (onderkaak), een M1 (bovenkaak), een M2.

Ogen:
Diep liggend, geel of licht; spleetogen (te smalle oogspleet); tonen van het derde ooglid.

Oren:
Dik, grof, met afgeronde punten.

Hals:
Aanwezigheid van losse keelhuid.

Rug:
Doorgezakt; rechte rug bij reuen.

Croupe:
Te sterk hellende croupe.

Buik:
Hangend, onvoldoende opgetrokken.

Staart:
Grof, tijdens actie, neerhangend.

Voorhand:
Hoeking tussen schouder en opperarm te open (rechte, steile schouder).
Ellebogen naar binnen of naar buiten gedraaid.
Voorarm: Te rond bot. Iedere afwijking van de voorarm.
Overnokkeld: Het naar voren doorbuigen, knikken v/h polsgewricht
Zwak in de voormiddenvoeten

Achterhand:
Te veel- of te weinig hoeking.
Te nauw achter of te wijd in de sprongen. (Naar buiten gedraaide sprongen.)

Voeten:
Neiging tot te brede, ronde, dikke voeten, kattenvoet, platte voeten, spreidtenen.

Vacht:
Kleur: vlekken op het lichaam van een andere tint/ kleur dan de grondkleur.

Eliminerende fouten
Gedrag / temperament:
Agressief of overdreven schuw

Tanden:
Bovenvoorbijter of ondervoorbijter (over- of onderbeet).
Scheve kaak.
Ontbreken van een incisor (snijtand), een hoektand, een scheurkies (PM4 bovenkaak of M1 onderkaak). Ontbreken van meer dan 4 tanden (welke 4 dan ook).
Verkeerde stand van een of beide hoektanden van de onderkaak, die, als de mond gesloten is, het tandvlees van de bovenkaak of het gehemelte kan beschadigen.

Ogen:
Glasoog.

Staart:
Kurkentrekkerstaart, gebroken staart (samengegroeide wervels) gecoupeerd, zelfs gedeeltelijk.

Achterhand:
Aanwezigheid van Hubertusklauwen. .

Kleur:
Bruin (chocolade), blauw.

Iedere hond die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertoont zal worden gediskwalificeerd.

NB: Mannelijke dieren behoren twee kennelijk normale testikels te hebben, die volledig in het scrot um zijn ingedaald.

Originele bron

Contact | Disclaimer | A-Z | Login